Waar gaat het geld naartoe

Prof. Nijman/dr. M. De Bruyn (201833/4901157)

Bedrag € 35.000,-

Elk jaar wordt er in Nederland bij meer dan 2000 vrouwen baarmoederkanker vastgesteld. De behandeling voor baarmoederkanker is chirurgische verwijdering van de baarmoeder, veelal in combinatie met radiotherapie. Ondanks de relatief gunstige 5-jaars overleving, ervaren veel patiënten een verminderde kwaliteit van leven, met name jongen vrouwen in de fertiele levensfase. We verwachten dat een baarmoeder sparende behandeling een significante verbetering geeft in deze patiënten groep. Hierin is een belangrijke rol weggelegd voor immuuntherapie.

Immuuntherapie met zogeheten immuun checkpoint remmers is erg effectief gebleken, ook bij patiënten met baarmoederkanker zijn er onlangs indrukwekkende resultaten geboekt. Vooral baarmoederkankers met veel mutaties blijken erg gevoelig voor behandeling met deze immuun checkpoint remmers. Ongeveer 30% van de baarmoederkankers zijn gekenmerkt door veel mutaties doordat ze een defect in hun vermogen om DNA schade te repareren. Dit wordt meestal veroorzaakt door mismatch repair deficiency’ (dMMR) of mutaties in het ‘DNA polymerase epsilon’ (POLE).

Inderdaad, bleek dat dMMR patiënten met een terugkerende baarmoederkanker (een recidief) uitmuntend reageren op immuun checkpoint remmers. Bij 53% van de patiënten sloeg de behandeling aan en bij 20% van de patiënten verdween de tumor volledig. Ook in POLE baarmoeder kanker lijken de resultaten veelbelovend.

Op basis van deze veelbelovende resultaten bij vrouwen met een recidief baarmoederkanker denken wij dat immuun checkpoint remmers ook getest moeten worden bij primaire baarmoederkanker.

Vrouwen met een POLE of dMMR baarmoederkanker zullen in de wachttijd tot operatie (standaard behandeling) worden behandeld met 2 kuren immuuntherapie. Om te beoordelen of de tumor op de behandeling reageert zal gebruik worden gemaakt van beeldvormende technieken voor en na de behandeling. Daarnaast wordt tumorweefsel verzameld voor (biopt) en na (operatie) de behandeling worden beoordeeld op tekenen van tumor reactie.

Tezamen geeft dit de mogelijkheid om veilig tussen diagnose en chirurgie een behandeling met immuuntherapie te verrichten en te onderzoeken of deze aanpak zinvol is als aanvulling op de bestaande chirurgie en/of radiotherapie.

Wij verwachten met deze studie een essentiële eerste stap te kunnen zetten naar een nieuwe manier van behandelen van vrouwen met baarmoederkanker. Hierbij zou immuuntherapie een centrale rol kunnen spelen voor behandeling van POLE en dMMR kankers zou voor 4-15% van vrouwen hierdoor de invasieve verwijdering van de baarmoeder en/of radiotherapie welllicht niet eens meer nodig hoeven zijn en worden deze vrouwen dus niet onnodig blootgesteld aan de nadelige gevolgen hiervan. Vrouwen op jonge leeftijd zouden hun fertiliteit hiermee kunnen behouden.

Dr. Kramer (201840/4901158)

Bedrag € 3.000,-

Een glioom is een vorm van hersenkanker die in Nederland per jaar bij ongeveer 1.100 mensen vastgesteld wordt (Nederlandse Kankerregistratie). In ongeveer de helft van de gevallen gaat het om een langzaam groeiende variant, de zogenaamde laaggradige vorm (graad II en III). De prognose kan, afhankelijk van diverse tumorkenmerken, betrekkelijk goed zijn met een gemiddelde levensverwachting van 10-20 jaar. Sinds 2016 bestaat de primaire behandeling van het laaggradig glioom uit een operatie direct gevolgd door bestraling en chemotherapie.

Het merendeel van de glioompatiënten heeft, mede door de behandeling, op de langere termijn (na 5-10 jaar) in toenemende mate last van neurocognitieve problemen (de neurocognitieve functie is een verzamelnaam voor alle hogere hersenfuncties bij de mens zoals het geheugen). Neurocognitieve functiestoornissen kunnen zeer ingrijpend zijn. Ze hebben niet alleen effect op de kwaliteit van leven en mate van zelfstandigheid van de patiënt zelf, maar ook op die van hun naasten.

We weten dat bestraling van de hersenen leidt tot nadelige langetermijneffecten op het gezonde hersenweefsel. Het leidt onder andere tot weefselverlies, tot beschadiging van bloedvaten en tot beschadiging van de witte stof (zenuwbanen). Deze beschadigingen kunnen zichtbaar worden gemaakt met conventionele MRI-technieken. MRI Diffusion Tensor Imaging (DTI) is een geavanceerde MRI-techniek die het mogelijk maakt om extra informatie over de kwaliteit van de witte stof in de hersenen te verkrijgen. Met MRI DTI kunnen subtiele afwijkingen in de witte stof eerder worden vastgesteld dan met conventionele MRI-technieken.

Op dit moment is er nog onvoldoende bekend over welke door radiotherapie veroorzaakte afwijkingen en welke structuren in de hersenen het meest gerelateerd zijn aan neurocognitieve achteruitgang in bestraalde glioompatiënten. Dit is zeer relevant omdat nieuwe radiotherapietechnieken, zoals protonentherapie, ons in staat stellen bepaalde gebieden veel beter te sparen en daarmee ernstige complicaties op lange termijn te voorkomen. Het doel van deze pilotstudie is daarom om te kijken of er een relatie is tussen MRI-bevindingen (plaats en aard) en of deze zijn gerelateerd aan de gegeven bestralingsdosis in de hersenen. Een bijkomend voordeel van het gebruik van MRI is dat MRI-afwijkingen doorgaans veel sneller optreden dan dat de neurocognitieve achteruitgang zelf. De uitkomsten van deze pilot studie kunnen dus zowel worden gebruikt om te kijken welke structuren in de hersenen moeten worden gespaard maar ook welke MRI-afwijkingen mogelijk kunnen worden gebruikt om de effecten hiervan veel eerder te kunnen evalueren (omdat niet meer 5-10 jaar gewacht hoeft te worden totdat mensen cognitieve achteruitgang ontwikkelen).

De financiële ondersteuning is nodig om extra tijd op de MRI te bekostigen (15 minuten per deelnemer). Met die extra tijd kunnen we DTI-afbeeldingen maken, die de gewenste extra informatie geven over (vroege) schade aan de microstructuur van de witte stof in de hersenen.

Dit is een pilotstudie met als doel te kijken of het de moeite waard is om een grotere studie te gaan doen met de volgende vragen: Welke specifieke regio’s in het brein dragen bij aan neurocognitieve achteruitgang? Wat is de relatie tussen stralingsdosis en lokale veranderingen in het brein? Wat is de optimale dosisverdeling? Welke rol zouden nieuwe bestralingstechnieken hierin kunnen spelen? Met de uitkomsten van deze pilot en de verkregen inzichten hopen we verdere studies te generen om de behandeling voor patiënten te verbeteren door het risico op neurocognitieve achteruitgang te verkleinen.

Dr. Plaat (201913)

Bedrag € 29.200,-

Ondanks intensieve behandeling blijft de prognose van patiënten met kanker die ontstaat in mond, keel en strottenhoofd (zgn hoofd-hals kanker) slecht, maar er worden nieuwe behandelingen ontwikkeld. Niet alle hoofdhalstumoren reageren hetzelfde, daarom zou het heel waardevol zijn als het effect van een geplande behandeling buiten de patiënt, op het tumorweefsel van deze patiënt, al getest kan worden. De afgelopen 3 jaar hebben in het UMCG vijf afdelingen intensief samengewerkt om een model te ontwikkelen waarop nieuwe behandelingen kunnen worden getest op tumorweefsel in het laboratorium. Na verschillende modellen te hebben ontwikkeld en beoordeeld, lijkt een nieuwe methode het meest succesvol. Hierbij groeien tumorcellen (verkregen uit biopten van tumorweefsel van patiënten) binnen een paar dagen als klompjes aan elkaar en vormen er zich een soort kleine tumour orgaantjes (zg, organoïden). Voordat we deze organoiden betrouwbaar op grotere schaal kunnen gebruiken in andere onderzoeken, moeten we bevestigen dat de gekweekte organoiden ook na 14-28 dagen nog vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke tumor. Dit kan door het erfelijk materiaal (DNA) van de gekweekte organoïden te vergelijken met het oorspronkelijke tumor DNA. Hoewel relatief kostbaar, is deze stap essentieel om te beslissen of deze organoïden bruikbaar zijn om (voor individuele patiënten) behandelingen buiten het lichaam te testen.

Prof. R. Coppes (201909)

Bedrag € 8.000,-

De laatste jaren neemt het aantal patiënten waarbij schildklierkanker wordt geconstateerd sterk toe. Patiënten met schildklierkanker worden behandeld door het operatief verwijderen van de gehele schildklier. Helaas liggen dichtbij de schildklier de bijschildklieren die als gevolg van de operatie beschadigd kunnen raken of verwijderd kunnen worden. Schade aan de bijschildklieren en als gevolg daarvan tekort aan bijschildklierhormoon (iatrogene hypoparathyreoïdie) is de meest voorkomende complicatie van schildklierchirurgie. Patiënten met hypoparathyreoïdie, hebben levenslang behandeling met calcium en vitamine D nodig. Deze behandeling gaat vaak gepaard met vervelende bijwerkingen die een groot nadelig effect hebben op de kwaliteit van leven van de patiënt.

Om de kwaliteit van leven van patiënten met een tekort aan bijschildklierhormoon te verbeteren, willen wij een stamcel therapie ontwikkelen. Hiervoor moeten we allereerst de stamcellen isoleren van operatief verwijderd bijschildkliermateriaal om deze vervolgens in het laboratorium te vermeerderen. Dit kan uiteindelijk resulteren in bijschildklierhormoon producerende klompjes van bijschildkliercellen, zogenaamde organoïden. Wanneer deze bijschildklier organoïden vervolgens terug getransplanteerd worden in mensen met hypoparathyreoïdie, kunnen deze wellicht de uitscheiding van het bijschildklierhormoon herstellen. Vanwege de aanwezigheid van stamcellen zullen de organoïden in staat zijn zich te handhaven en langdurig bijschildklierhormoon produceren.

Prof. A. Brouwers (201920)

Bedrag € 3.000,-

Anaplastisch schildklier carcinoom (ATC) heeft een zeer slechte prognose, maar kan met een multidisciplinaire aanpak wel behandeld worden indien de diagnose op tijd gesteld wordt. Daarom bestaat hiervoor sinds 2017 een zorgtraject, opgestart vanuit het expertisecentrum schildklier carcinoom. De gevraagde subsidie zal gebruikt worden om materiaal op te slaan, en om gegevens omtrent kwaliteit van leven te verzamelen, met als doel onderzoek mogelijk te maken naar tumoreigenschappen, waartegen recent medicijnen zijn ontwikkeld.

Prof. Groen (201901)

Bedrag € 35.000,-

Meningiomen zijn de meest voorkomende hersentumoren bij volwassenen, ongeveer een derde van alle gevallen. In Nederland krijgen jaarlijks 500 mensen te horen dat ze de diagnose meningioom hebben. Alhoewel meningiomen in de meeste gevallen goedaardig zijn, kunnen ze het omliggende weefsel verdrukken, waardoor symptomen als epileptische aanvallen en uitval van ledematen kunnen ontstaan. Patiënten hebben de meeste kans op genezing, wanneer de tumor volledig chirurgisch wordt verwijderd, waarbij de neurologische functies intact blijven. Wanneer het meningioom onvolledig wordt verwijderd, is er grote kans op terugkeer, en is bestraling nodig, wat leidt tot verminderde kwaliteit van leven. Het is daardoor belangrijk om de resectie van meningiomen op een veilige manier te verbeteren. Het doel van deze studie is om de meningiomen tijdens de operatie te laten fluoresceren, door gebruik te maken van een specifieke tracer, zodat de neurochirurg beter onderscheid kan maken tussen tumorweefsel en gezond omliggend weefsel. Voor de productie van een geschikte, klinisch toepasbare, tracer wordt hier geld aangevraagd.